Ga naar de sitemap om verder te navigeren Spring direct naar de inhoud

homepage cao politie
datum: 14-10-2005
bron: Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Een Nederlandse politieorganisatie, lokale verankering en democratische inbedding verstevigd

Persbericht ministerraad

Er komt één Nederlandse politieorganisatie. De huidige regionale korpsen en het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) zullen daar deel van uitmaken. Het omvormen van de politie tot één organisatie heeft voordelen op het vlak van efficiency, effectiviteit, kwaliteit, flexibiliteit en innovatie. De voorgestelde wijzigingen raken vooral het beheer en het bestuur van de politie, het dagelijkse politiewerk zal hierdoor niet of nauwelijks worden verstoord. Dat heeft de ministerraad besloten in reactie op het advies van de Stuurgroep Evaluatie Politieorganisatie (stuurgroep-Leemhuis). Het kabinetsstandpunt gaat naar de Tweede Kamer.

Uit de evaluatie van de stuurgroep blijkt dat de regionale autonomie van de korpsen de laatste jaren de efficiency van de korpsen niet heeft vergroot. De politiekorpsen werken teveel langs elkaar heen. Door het beheer te centraliseren kan effectiever gewerkt worden aan de landelijke standaardisatie van de werkprocessen en de informatieproducten zoals het realiseren van een landelijk informatie-en communicatiesysteem en het verbeteren van de analysefunctie. Dit zal de kwaliteit van het politiewerk vergroten. Door eenheid in bijvoorbeeld informatiebeheer zal uitwisseling van gegevens tussen korpsen worden vereenvoudigd en verbeterd wat vooral ten goede zal komen aan de criminaliteitsbestrijding op alle niveaus.

Naar aanleiding van intensief overleg met de huidige korpsbeheerders heeft het kabinet extra waarborgen gecreëerd voor een goede lokale en regionale verankering. In het gewijzigde politiebestel behouden de burgemeester en de officier van Justitie het gezag op lokaal niveau over de politie. De lokale gezagsdriehoeken, waarin de burgemeester, de officier van Justitie en de korpschef of districtchef de feitelijke inzet van de politie bepalen, blijven bestaan. In deze driehoek kan de burgemeester onder meer aangeven of en zo ja waar in zijn gemeente de inzet van politie gewenst is.

De politie blijft in regionale eenheden (korpsen) en een landelijke eenheid (KLPD) werken.

Het voorgestelde regionale politiebestuur bestaat net als het huidige politiebestuur uit alle burgemeesters in de regio en de hoofdofficier van Justitie. Eén van de burgemeesters is voorzitter. Het regionale politiebestuur stelt onder meer het regionale politiebeleidsplan vast. Het politiebeleidsplan wordt gebaseerd op de lokale prioriteiten van de gemeenten uit de regio, op de prioriteiten van het openbaar ministerie en op de door de ministers vastgestelde landelijke beleidsdoelstellingen op korpsniveau. Bij het opstellen van het regionale politiebeleidsplan moet het bestuur inbreng vragen van de gemeenteraden in de regio. Op deze manier wordt de positie van de gemeenteraden versterkt. Het regionale politiebestuur bepaalt daarnaast ook hoe de politiesterkte wordt verdeeld in de regio. Ook krijgt het regionale politiebestuur instemmingsrecht bij de budgetverdeling in het korps. De besluitvorming in het regionale politiebestuur wordt voorbereid door een regionale beleidsdriehoek waarin de voorzitter van het regionale politiebestuur, de hoofdofficier van Justitie en de korpschef zitting hebben.

Na de samenvoeging van het brandweerbestuur en GHOR-bestuur (geneeskundige hulp bij ongevallen en rampen) tot één veiligheidsbestuur (per 1 juli 2006), zal dat bestuur worden geïntegreerd met het regionaal politiebestuur (1 januari 2008). Voorwaarde daarbij is dat er sprake is van gescheiden geldstromen tussen de brandweer-, de GHOR- en de politieorganisatie.

De regiokorpsen en het KLPD gaan op in één organisatie met eigen rechtspersoonlijkheid. De organisatie bestaat uit 25 regionale eenheden, een landelijke operationele eenheid, een landelijke shared services eenheid met daarboven een directieraad. De directieraad opereert onder volledige ministeriële verantwoordelijkheid. Het dagelijkse beheer in de korpsen komt bij de korpschef te liggen. Op dit moment voeren de burgemeesters van de centrumgemeenten in de regio's het beheer over de regiokorpsen. De functie van korpsbeheerder verdwijnt, net als de regionale beheersdriehoek.

De ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Justitie stellen periodiek, tenminste eens in de vier jaar, een landelijk veiligheidsprogramma op. De hoofdlijnen daaruit worden door de ministers vertaald in beleidsdoelstellingen per korps. Hierover vindt overleg plaats met (een delegatie van) de voorzitters van de regionale politiebesturen, de directieraad en het college van procureurs-generaal. De regionale politiebesturen moeten deze beleidsdoelstellingen uitwerken in de regionale beleidsplannen. Als de actualiteit erom vraagt, kunnen beide ministers tussentijds aanvullende doelstellingen formuleren. Beide ministers hebben 'doorzettingsmacht': zij kunnen de korpsen op het terrein van de landelijke beleidsdoelstellingen aanwijzingen geven.

De plannen van het kabinet vereisen een wijziging van de huidige Politiewet. Het uitwerken van de wetswijziging en de parlementaire behandeling vraagt tijd. In de tussentijd zal het kabinet samen met de korpsbeheerders en de korpschefs binnen het huidige politiebestel werken aan verbeteringen op het terrein van beheer en taakuitoefening van de Nederlandse politie. Het kabinet steunt daarom als stap op weg naar de nieuwe politieorganisatie de vorming van een 'shared services organisatie' voor de politie door het Korpsbeheerdersberaad, zodat deze organisatie in de toekomst kan opgaan in de nieuwe politieorganisatie.


terug naar vorige pagina terug naar boven