Ga naar de sitemap om verder te navigeren Spring direct naar de inhoud

homepage cao politie
datum: 06-09-2005
bron: MinBZK

Spreekpunten minister Remkes Opening Politieacademisch jaar 5 september 2005

Toen ik nadacht, dames en heren, over wat ik u aan het begin van het Politieacademisch jaar zou willen meegeven, hoorde ik dat – toen de studenten gevraagd werd wat ze van de minister wilden horen – er één vraag naar voren kwam. Misschien iets dat wordt ingegeven door de acties die de bonden gevoerd hebben. De vraag namelijk: waardeert de minister zijn agenten wel; staat hij achter ze? Mijn antwoord is vol overtuiging en ondubbelzinnig: ja! Ik zal dat toelichten.

Ik ben eigenlijk geschrokken van die vraag en ik wil me vandaag dan ook vooral tot u: de studenten van de Politieacademie, wenden.
Daarmee doe ik de andere aanwezigen overigens niet te kort, want ook bij hen zal misschien die vraag leven. De vraag is voor u als studenten vooral relevant want u slaat een weg in, die waarschijnlijk uw leven zal bepalen. En het is daarbij nog eens een weg die - meer dan bij andere beroepen - niet zonder gevaren is. Wie zich inzet voor veiligheid zal worden geconfronteerd met onveiligheid. U hebt er daarom recht op te weten, wie er aan uw kant staan.

Eerst iets over die arbeidsvoorwaarden.
Wat op dit moment speelt is een fase in de onderhandelingen over de CAO. Dat daarin ferme taal wordt gebruikt en actie wordt gevoerd is in het verleden vaker gebeurd. Ik kan daar ook wel tegen. Er is ook altijd een oplossing gevonden en daarna zijn we altijd opnieuw samen hard aan slag gegaan. Op dit moment praten drie van de vier bonden en ik weer met elkaar. Het zijn nog geen formele onderhandelingen, maar we zijn weer in gesprek. Het conflict met de bonden gaat vooral over verzekeringen en pensioenen. Dat daar over gesproken moet worden heeft te maken met wetgeving die voor iedere werknemer in ons land geldt. Dat is een gegeven. Maar de indruk - die door de retoriek van actievoeren werd gewekt – dat het werken bij de politie slecht wordt beloond is echt onjuist. Om het conflict toch een beetje te relativeren: het is niet voor niets dat werken bij de politie gezien wordt als een van de meest aantrekkelijke banen bij de overheid; nummer drie in een lange lijst van instanties, diensten, gemeenten en ministeries (het ministerie van BZK scoort aanmerkelijk lager, kan ik u verzekeren!).

Dames en heren, ik wil hier niet – en plein public – onderhandelen. Dat is zeker niet mijn bedoeling. Ik wil ook niet op de geschilpunten ingaan. Ik breng het punt vooral op, omdat uit een CAO-conflict geen algemeen gevoel van twijfel - of onbehagen - mag ontstaan over het belang dat ik – en met mij het hele kabinet – hecht aan een sterke, gemotiveerde en goed opgeleide politie. U bent de as waarom de veiligheid in Nederland draait. Zonder u: chaos en anarchie. Daarom hebt u recht op goede arbeidsvoorwaarden. Nu en in de toekomst.

En dat brengt me bij de vraag wat de toekomst zal brengen voor de politie. Er wordt op dit moment door velen nagedacht over hoe de politie de komende jaren georganiseerd zou moeten zijn. De Raad van Hoofdcommissarissen heeft een visiestuk gepresenteerd. U hebt allemaal vast ook het Rapport van de commissie Leemhuis gezien. Collega Donner en ik zijn hierover druk in gesprek, we hebben nog geen conclusies getrokken (krantenberichten die anders suggereren zijn op zijn minst voorbarig) maar ik hoop dat dat op korte termijn wel het geval zal zijn. Het lijkt wel – als je de reacties daarop ziet – of er maar één punt van belang is voor de toekomst. En dat zou dan – heel grofweg – moeten zijn: wie wordt – of blijft – de baas? Nou is dat een niet onbelangrijke vraag. Dat geef ik u toe. Toch gaat het bij de vragen over wie wat moet aansturen en welke organisatiestructuren daarbij het meest passend zijn, in feite over: wat is de meest effectieve en efficiënte organisatie en werkwijze voor de politie? Het is een praktische vraag: wat werkt het best? Dat geldt ook voor tal van beheersonderwerpen. Op dat gebied moeten we naar meer eenheid toe. Dat werkt gewoon beter. Als we het bijvoorbeeld over ICT hebben, is het logisch dat we centraal keuzes maken en centraal producten en diensten aanbieden. Wat werkt beter; wat werkt het best?

Maar daar gaat een vraag aan vooraf.
Een punt dat in de publieke discussie op de achtergrond lijkt te blijven, maar wezenlijk is voor alle vervolgvragen. De vraag namelijk: wat is de missie van de politie. Welke opdracht geven wij u mee? Wat mag de samenleving van u verwachten? Dat was vroeger tamelijk eenvoudig. De politie moest er voor zorgen dat de burgers binnen de perken van de wet bleven. En wie zich daaraan onttrok moest in de kraag worden gegrepen. Dat was ook passend voor een evenwichtige maatschappij, waar men wist wat men kon verwachten. Een maatschappij waarin de tegenstellingen niet al te groot waren; of op zijn minst hanteerbaar. De Raad van Hoofdcommissarissen heeft onlangs in zijn visiestuk een missie geformuleerd die luidt: “Waakzaam en dienstbaar staat de politie voor de waarden van de rechtsstaat”. De Raad werkt dat dan verder uit met een aantal meer specifieke opdrachten. Wat mij betreft zit het meest pregnante verschil met het verleden in het afscheid van de rol die in 1977 nog als kern werd geformuleerd. Toen stelde men de hulpverlenende taak van de politie én de interactie met de burger centraal. De keuze nu, voor het verlaten van de welzijnsfunctie van de politie, is bewust. De politie is de spil in een netwerk van bij veiligheid betrokken organisaties maar legt zelf een duidelijke prioriteit bij handhaving en opsporing. Op dat punt zit geen licht tussen de opvattingen van de hoofdcommissarissen en van collega Donner en mij.

Dames en heren, ik wil niet het cliché gebruiken dat de tijden veranderen en dat de problemen complex zijn. Bij de politie speelt namelijk nog iets heel anders. Het is niet alleen dat het gedrag van mensen anders is dan vroeger. Het probleem is de onvoorspélbaarheid van gedrag van mensen en de onvoorspelbaarheid van internationale ontwikkelingen. De politie wordt geconfronteerd met steeds andere veiligheidsproblemen. Steeds wisselende vormen van ordeverstoring en criminaliteit. Stee ds wisselende ernstige bedreigingen. En dat weer met steeds wisselende spelers en op regionaal, lokaal én internationaal niveau. Kijk naar drugs, wapenhandel en terreur.

Mensen vragen maar één ding van de politie: het gevoel van veiligheid. De politie moet daar steeds een nieuw antwoord op vinden. Met andere woorden: het is een enorme opgave voor de politie om verwachtingen en prestaties op elkaar aan te laten sluiten. En daar zit een grote spanning. Als het niet lukt, en dat gebeurt soms, groeit het gevoel van onveiligheid en neemt het vertrouwen in de politie af. Ik hoop niet dat u nu met een knagende wanhoop begint te denken: waar ben ik aan begonnen? De samenleving heeft namelijk – ondanks het soms roestige vertrouwen – haar hoop op u gesteld. De politie is de frontlijnorganisatie van de overheid in het publieke domein en de politie kan die rol vervullen omdat we mogen rekenen op de professionaliteit van de politiemensen. Uw professionaliteit dus. Daar gaat het om bij de opening van dit academisch jaar.

U dient zich voor te bereiden op het uitoefenen van en leidinggeven aan de kerntaken van de politie. U bent straks verantwoordelijk voor de opsporing. Dat vereist samenwerking en nieuwe technieken. U bent dan ook verantwoordelijk voor de gebiedsgebonden politiezorg. Dat wil zeggen dat u in een gemeenschap opereert; en dat u daar de problemen en uw partners kent. Dat betekent dat u daar ook uw diplomatieke of juist overtuigende kwaliteiten zult moeten toepassen. En u bent verantwoordelijk voor het toepassen van moderne technologie, de informatiehuishouding en communicatiemiddelen; denk ook aan uw rol bij de rampenbestrijding. Dat alles zal niet alleen veel vragen aan vakkennis op al die gebieden, maar het zal ook grote eisen stellen aan het politiemanagement.

Als u manager wordt, zult u aangesproken worden op punten als effectiviteit en efficiency. Maar als politiemanager zult u ook om moeten leren gaan met de druk van werken in een risico-omgeving. De vuist op tafel én de arm om de schouder. Dames en heren U begint een academisch jaar. Daarin wens ik u veel interessante en uitdagende momenten maar ook veel plezier. Voor ónze toekomst hoop ik dat ú in staat zult zijn om aan de hoge verwachtingen te beantwoorden. Ik hoop ook dat u later – aan het eind van de dag – uw voldoening en arbeidsvreugde zult kunnen ontlenen aan de veiligheid die u biedt en dat u het vertrouwen zult koesteren dat de maatschappij in u stelt. Een succesvol jaar!


terug naar vorige pagina terug naar boven