Afdeling Arbeidsvoorwaardenbeleid directie Politie
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
A4 is bedoeld om de politiekorpsen op een snelle manier kort en bondig te
informeren over ontwikkelingen op het gebied van arbeidsvoorwaarden.
A4 is vooral bestemd voor P&O- en FEB-functionarissen in de politiekorpsen.
A4 verschijnt minstens zes maal per jaar. Afhankelijk van de behoefte kan de
verschijningsfrequentie toenemen. In voorkomende gevallen verschijnt er aanvullend
een A4 themanummer waarin speciale aandacht wordt besteed aan een bepaald onderwerp.
Aan
de in A4 opgenomen informatie kunnen geen rechten worden ontleend.
A4 is terug
te vinden op de site van het Informatiecentrum Politie www.cao-politie.nl
A4 kunt u toegezonden krijgen door een mail te zenden aan pauline.jager@minbzk.nl
Redactie:
Pauline de Jager
jaargang 2006, nummer 3
• A 4 jaargang 2006, nummer 3 downloaden als pdf ( 200 k)
Op 23 maart jl. zond de minister van BZK een brief aan de korpsen. In die brief wordt ingegaan op de meest recente stand van zaken over de nieuwe voorziening om eerder te stoppen met werken ter vervanging van de Afup. Hiervoor zijn twee redenen. Ten eerste kan nu informatie verstrekt worden over de ondersteuning die het ABP de korpsen zal bieden en het tijdpad van de uitvoeringswerkzaamheden en de voorlichting. Ten tweede stellen de drie politievakorganisaties die het Akkoord ondertekend hebben (NPB, ACP en VMHP) enkele afspraken over eerder stoppen met werken ter discussie. Om te voorkomen dat er misverstanden ontstaan over de status van de afspraken uit het Akkoord wordt in bedoelde brief daarop ingegaan. Het traject van invoering wordt ondanks de door de politievakorganisaties begonnen discussie voortgezet, zodat geen extra vertraging ontstaat. De brief is in zijn geheel na te lezen op www.icpolitie.nl.
Waar gaat het om?
Bij de uitvoeringscirculaire d.d. 21 december 2005 over het Arbeidsvoorwaardenakkoord
2005-2007 (verder: het Akkoord) zijn de korpsen geïnformeerd over
het vervangen van de Afup door een nieuwe voorziening waardoor eerder
stoppen met werken mogelijk blijft. Kort gesteld bestaat deze nieuwe
voorziening uit vier elementen:
Hiermee wordt in de structurele situatie gerealiseerd dat voor het executieve
personeel tot en met schaal 11 (en de aangewezen ATH-functies) een aansprakenniveau
van 76% van het middelloon op 60-jarige leeftijd wordt gerealiseerd.
Voor de overige ambtenaren is het aansprakenniveau 66,5% van het middelloon
op 61 jarige leeftijd. Deze aansprakenniveau’s worden uiteraard
alleen gerealiseerd bij deelname aan de levensloopregeling en inleg van
de levensloopbijdrage, de TBF en iTBF.
Voor personeel met uitzicht op “polisvoorwaarden FLO” verandert
er niets, zij behouden hun aanspraken en de nieuwe afspraken hebben op
hen geen betrekking.
Stand van zaken uitvoering
In de uitvoeringscirculaire werd gesteld dat in het voorjaar 2006 gestart
zou worden met een voorlichtingsbijeenkomst die vermoedelijk eind
maart 2006 zou plaatsvinden en dat de uitkering van levensloopbijdrage,
TBF en iTBF naar verwachting vanaf mei 2006 uitbetaald zou gaan worden
met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006. Dit tijdpad is te ambitieus
gebleken. Om de iTBF vast te stellen is het namelijk nodig om van de
ambtenaar te weten of en hoeveel garantiejaren voor Afup-algemeen en
Afup-specifiek zijn vastgesteld. Deze garantiejaren zijn destijds door
korpsen vastgesteld in 2000, voorafgaand aan de introductie van de Afup
per 1 januari 2001. De toen vastgelegde garantiejaren zijn aangeleverd
aan het ABP die ze heeft geregistreerd. Daarmee is een centrale databank
ontstaan van vastgelegde Afup-garantiejaren, beheerd door het ABP.
Voor het vaststellen van de iTBF levert het ABP een rekentool en een
bestand van het personeel dat nu bij de korpsen in dienst is. Het bestand
bevat de gegevens die de rekentool nodig heeft om de hoogte van de iTBF
vast te stellen: de geboortedatum, het aantal garantiejaren voor Afup-algemeen
en de garantiejaren voor Afup-specifiek. Door de rekentool te koppelen
aan het bestand worden automatisch brieven aangemaakt per individueel
personeelslid met diens situatie, inclusief de hoogte van de eventuele
iTBF.
Het beschikbaar komen van de rekentool met bestand staat gepland voor
uiterlijk 1 mei a.s. Korpsen moeten er dus rekening mee houden dat direct
na het beschikbaar komen van de rekentool de nodige werkzaamheden moeten
worden uitgevoerd. De omvang van die werkzaamheden komt gedeeltelijk
overeen met de werkzaamheden die destijds in 2000 zijn uitgevoerd ten
behoeve van het vaststellen van de Afup-garanties. Ook nu dient immers
ieder personeelslid een brief te ontvangen waarop de mogelijkheid van
bezwaar en beroep geldt. De voorbereiding van de rekentool wordt opgepakt
in samenwerking met het platform van salarisadministrateurs: het LOSA.
Voorlichting
De voorlichting aan het personeel landelijk worden geregeld. Gezien de
verschillende aanspraken zal deze voorlichting gericht worden op de verschillende
doelgroepen. Voorafgaand aan de personeelsvoorlichting wordt voorzien
in een verdiepingsslag in de kennisoverdracht aan P&O-medewerkers.
Dit vindt plaats vóór 8 mei a.s. waarbij tevens voorlichtingsmateriaal
beschikbaar wordt gesteld om binnen de eigen organisatie verder te werken
aan kennisoverdracht aan P&O-medewerkers. Het voorlichtingsmateriaal
voor het personeel zal uiterlijk op 15 mei a.s. beschikbaar zijn. Gezien
de omvang van de materie waarover de voorlichting moet plaatsvinden wordt
gekozen voor een modulaire opbouw van het voorlichtingsmateriaal. Dat
wil zeggen: in mei een meer globale voorlichting die zich in aanvang
ook expliciet richt op de keuzes die gemaakt moeten worden, gevolgd door
nadere verdieping over pensioen en levensloop in een wat later stadium.
Aanbesteding voorkeurinstelling levensloopsparen
De levensloopregeling is een belangrijk aspect van de nieuwe voorziening
om eerder stoppen met werken mogelijk te maken. Om deze reden is in het
Akkoord de Regeling levensloop politie afgesproken, die in de loop van
dit jaar in werking zal treden met terugwerkende kracht tot en met 1
januari 2006. Op grond van deze regeling kan de ambtenaar door het inzetten
van arbeidsvoorwaardelijke bronnen -waaronder de levensloopbijdrage,
de TBF en iTBF- geld sparen voor een inkomen tijdens een periode van
onbezoldigd verlof. De ambtenaar is vrij in zijn keuze bij welke financiële
instelling gespaard wordt. In het Akkoord is de afspraak opgenomen om
voor de uitvoering van de Regeling levensloop politie een voorkeursinstelling (“preferred provider”) aan
te wijzen zodat de werkgever gericht advies kan en mag geven waar het
personeel het beste voor levensloop kan sparen. Voor het aanwijzen van
een voorkeursinstelling is een Europese aanbesteding nodig. Deze Europese
aanbesteding is op 21 maart jl. formeel gestart met de aankondiging in
het Publicatieblad van de Europese Unie. De Planning is dat begin juni
2006 de Europese aanbestedingsprocedure is afgerond en de definitieve
voorkeurinstelling bekend kan worden gemaakt.
Voorbereiding door korpsen
Er moet in de korpsen een grote klus worden geklaard, omdat van
het personeel moet worden vastgesteld of er aanspraak is op een iTBF
en hoe hoog deze
is. Hier zal in de planning vast rekening mee moeten worden gehouden.
Personeel kan in algemene zin worden geïnformeerd over het aangepaste
tijdpad en wat zij kunnen verwachten. Daarbij kan bij voorkeur gebruik
worden gemaakt van de het standaardbericht dat via het NPI wordt toegezonden
aan de voorlichters van de korpsen. Daarnaast kunnen de vorig jaar door
het ABP aangeleverde Afup-bestanden alvast gecontroleerd worden op juistheid
voor wat betreft de vastgelegde Afup-garantiejaren.
Tevens kan de doelgroep in kaart worden gebracht die, nadat de rekentool
van het ABP is ontvangen, met spoed moet worden benaderd. Dit betreft
alle executieven die (omdat zij zijn geboren na 1 januari 1951) géén
aanspraak hebben op polisvoorwaarden FLO en die gebruik maken van de
spaarloonregeling. Voor hen moet immers voor 1 juli a.s. geregeld zijn
dat ze desgewenst nog kunnen kiezen om over te gaan op levensloopsparen
en dus moeten stoppen met spaarloon. Daarbij moet ook het ingelegde spaarloon
voor 1 juli a.s. zijn teruggestort. Om de keuze tussen levensloop en
spaarloon goed te kunnen maken moet deze specifieke doelgroep snel inzicht
krijgen in de hoogte van hun iTBF naast de algemene informatie over de
hoogte van de TBF en algemene levensloopbijdrage.
In het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) en het Besluit
rechtspositie vrijwillige politie (Brvp) zijn bepalingen opgenomen over
het openbaar
maken van nevenwerkzaamheden, het melden van financiële belangen
en effectentransacties én het omgaan met vermoedens van misstanden.
Deze wijziging is op 10 maart 2006 in werking getreden (Staatsblad
2006, 129).
In verband met de samenhang heeft de invoering van nieuwe artikelen en
de wijziging van bestaande artikelen, met betrekking tot integriteit,
geleid tot herschikking van het Barp en Brvp. Aan het Barp is een nieuw
Hoofdstuk VII.A. Integriteit (artikelen 55a tot en met 55h) toegevoegd.
In het Brvp zijn de paragrafen 3a. Regels over goed ambtelijk handelen
(artikelen 14a en 14b) en 3b. Melden van een misstand (artikelen 14c
tot en met 14g) opgenomen.
Als gevolg van de herschikking zijn de artikelen 66 en 19 Brvp (nevenwerkzaamheden)
en artikelen 66a en 19a Brvp (het verbod op aannemen van giften, etc.)
komen te vervallen. De bepalingen over nevenwerkzaamheden zijn opgenomen
in de nieuwe artikelen 55a Barp en 14a Brvp en het verbod op het aannemen
van giften, etc. staat in de artikelen 55c Barp en 14b Brvp. Voor de
leiding van een korps, College van Bestuur van de Politieacademie of
de directie ITO geldt aanvullend dat eventuele nevenwerkzaamheden openbaar
worden gemaakt. In het overgangsrecht van het besluit staat dat de grondslag
voor de door het bevoegd gezag gestelde nadere regels over nevenwerkzaamheden is
gewijzigd in de nieuwe artikelen 55a Barp en 14a Brvp zijn.
In artikel 55b Barp zijn regels over mogelijke financiële belangverstrengeling opgenomen. Bovendien is er een verplichting voor de ambtenaar
gekomen, die daartoe door het bevoegd gezag is aangewezen, melding te
doen van bezit en transacties met effecten.
Nieuw in het Barp en Brvp is een procedure voor het melden van een misstand,
een zogenaamde klokkenluidersregeling. Hierbij is bepaald dat een ambtenaar
een vermoeden van een misstand eerst intern aan de orde stelt. In beginsel
bij de leidinggevende of als dat niet wenselijk wordt geacht bij de naast
hogere leidinggevende of een bij een daartoe aangewezen vertrouwenspersoon. Dit betekent dat de korpsen een vertrouwenspersoon
voor het melden van miststanden moeten aanwijzen. Deze vertrouwenspersoon
is niet een executief politieambtenaar en kan eventueel buiten het korps
worden aangezocht.
Naast de interne procedure bestaat er de mogelijkheid van een externe
procedure. Indien zwaarwegende redenen in de weg staan aan de interne
procedure, meldt de politieambtenaar het vermoeden van een misstand schriftelijk
aan de Commissie integriteit overheid. De instelling van deze commissie
en haar werkwijze zijn opgenomen staan in het Besluit van 3 februari
2006 tot instelling van de Commissie integriteit overheid (Stb. 2006,
130). Dit besluit is ook in werking getreden op 10 maart 2006
De wijzigingen in het Barp en Brvp zijn niet alleen beperkt gebleven
tot het nieuwe hoofdstuk respectievelijk de nieuwe paragrafen. De formulering
van de ambtseed en -belofte is zodanig veranderd dat het belang van integer
handelen wordt geaccentueerd. Sinds 10 maart 2006 dient bij het afleggen
van de ambtseed of -belofte de nieuwe tekst van de artikelen 9 Barp en
5 Brvp te worden gebruikt.
Tot slot dient in het jaarlijkse functioneringsgesprek (artikel 71 Barp)
het onderwerp integriteit aan de orde te komen.
Een circulaire met aandacht voor dit onderwerp volgt op korte termijn
Informatie bij: Annet Schukken 070-4267485
Vanuit de korpsen komt de vraag, hoe op dit moment moet worden omgegaan
met verzoeken van medewerkers om een werktijdenmodaliteit als bedoeld
in (nieuw) artikel 12a van het Barp. Nieuw is dat in het Akkoord
Arbeidsvoorwaarden sector Politie 2005 – 2007 is afgesproken
dat het bevoegd gezag de aanvraag van de ambtenaar moet toetsen aan
het criterium zwaarwegend dienstbelang en advies moet vragen aan
de paritaire commissie werktijdenmodaliteiten wanneer hij voornemens
is de aanvraag niet of niet volledig in te willigen.
Beide stappen staan in het nieuwe artikel 12a van het Barp. Deze regelgeving
is nog niet geformaliseerd. De verwachting is dat dit in de loop van
juni 2006 het geval zal zijn.
Een en ander betekent dat op dit moment de ambtenaar nog geen aanspraak
heeft op een werktijdenmodaliteit in de nieuwe vorm. Ofschoon formeel
het verzoek op traditionele wijze (de periode van voor het Arbeidsvoorwaardenakkoord
2005 – 2007) dient te worden beoordeeld en afgedaan, is dit niet
meer reëel. Het advies is daarom de betrokken medewerker schriftelijk
te laten weten dat zijn aanvraag wordt aangehouden totdat de nieuwe
regelgeving is gepubliceerd en in werking getreden. In de tussen tijd
kan het bevoegd gezag uiteraard wel het voorgenomen besluit intern
voorbereiden.
Vooruitlopend op de formalisering van de regelgeving is met de politievakorganisaties
afgesproken dat korpsen, met instemming van de ambtenaar, desgewenst
een aanvraag en een voorgenomen afwijzing van de aanvraag voor advies
kunnen voorleggen aan de Commissie werktijdenmodaliteiten sector Politie
i.o. Vervolgens zal deze Commissie het korps adviseren over de voorgelegde
casus in lijn met de afspraken uit het Arbeidsvoorwaardenakkoord 2005
- 2007. Op deze wijze komt op
voorhand en op korte termijn meer duidelijkheid over de inhoudelijke
advisering van de Commissie.
Een dergelijke adviesaanvraag kan het korps indienen bij het Ministerie
van BZK, directie Politie, t.a.v. mw. Kruikemeijer, Postbus 20011,
2500 EA Den Haag. Een adviesaanvraag bevat tenminste het oorspronkelijke
verzoek van de ambtenaar en de motivatie van afwijzing door het bevoegd
gezag.
Voor ieder der partijen dient wel voldoende duidelijk te zijn dat bovenstaande
procedure bij de Commissie werktijdenmodaliteiten sector Politie i.o.,
door het ontbreken van formele regelgeving, geen juridische basis heeft.
In een eventuele bezwaar- en beroepsprocedure zal niet kunnen worden
getoetst aan het nieuwe artikel 12a Barp, omdat er formeel nog geen
besluit kan worden genomen op grond van dit artikel.
Met de politievakorganisaties is afgesproken dat een uitvoeringscirculaire
wordt opgesteld nadat een aantal zaken door de Commissie is afgedaan.
Onderstaand wordt ingegaan op drie vragen die met enige regelmaat worden gesteld:
Langer doorwerken en TOR: indien een ambtenaar met uitzicht op polisvoorwaarden FLO langer wil doorwerken om zodoende een hogere uitkering te realiseren tijdens de polisvoorwaarden FLO dan moet hij afzien van deelname aan de TOR. Reden hiervoor is dat het non-activiteitsinkomen tijdens de TOR stopt op het moment dat de leeftijd van zestig jaar wordt bereikt.
Aspiranten en de DTZ: voor aspiranten geldt een specifieke afspraak over de hoogte van de distorsietoeslag ziektekosten (DTZ), deze is anders dan de DTZ voor het overige personeel. Aspiranten ontvangen een DTZ ongeacht hun persoonlijke omstandigheden. Deze bedraagt in alle gevallen (10 * 24 =) € 240. Er wordt dus geen onderscheid gemaakt tussen aspiranten met of zonder een meeverzekerde partner en/of kinderen.
DTZ voor alleenverdieners: alleenverdieners komen in aanmerking voor de DTZ. Om vast te stellen of een ambtenaar alleenverdiener is dient met behulp van het bestand dat de korpsen hebben ontvangen van de DGVP te worden vastgesteld of deze ultimo 2005 een bij de DGVP meeverzekerde partner had. Indien daarvan sprake is bestaat recht op de DTZ. Korpsen hebben niet de mogelijkheid om zelf te beoordelen of de partner al dan niet terecht medeverzekerde was bij de DGVP en op grond daarvan eventueel de DTZ te onthouden. Het gegeven dat de partner ultimo 2005 daadwerkelijk medeverzekerde was geeft aanspraak op de DTZ. Hiermee wordt voorkomen dat korpsen met een aanzienlijke administratieve last en onderzoeksplicht worden opgezadeld.
De informatie in het informatiebulletin A4 is primair bedoeld voor P&O- en FEB-functionarissen. Dit betekent dat de informatie is geschreven met als uitgangspunt dat enige achtergrondkennis over de ontwikkelingen wordt verondersteld. Dit neemt niet weg dat alle politiemedewerkers zich aan kunnen melden voor digitale toezending van dit informatiebulletin. Mocht de informatie uit dit bulletin echter tot vragen leiden dat kunt u zich altijd wenden tot de personeelsafdeling van het korps waar u werkzaam bent. De informatietelefoonnummers die soms bij de onderwerpen staan vermeld zijn bedoeld voor P&O- en FEB-functionarissen.
Toezending A4
Indien u interesse heeft voor toezending van A4 per e-mail, dan kunt
u dit kenbaar maken door een e-mail toe te zenden aan: pauline.jager@minbzk.nl :
A4 is bedoeld om de politiekorpsen op een snelle manier
kort en bondig te informeren over ontwikkelingen op het gebied van arbeidsvoorwaarden.
A4 is vooral bestemd voor P&O- en FEB-functionarissen in de politiekorpsen.
A4 verschijnt minstens zes maal per jaar. Afhankelijk van de behoefte
kan de verschijningsfrequentie toenemen. In voorkomende gevallen verschijnt
er aanvullend een A4 themanummer waarin speciale aandacht wordt besteed
aan een bepaald onderwerp.
Aan de in A4 opgenomen informatie kunnen geen rechten worden ontleend.
A4 is terug te vinden op de site van het Informatiecentrum Politie www.icpolitie.nl
Deze A4 is verzonden op: 29 maart 2006
Redactie:
Geke Hovius
Pauline de Jager
A4 jaargang 2006, nummer 3